Electoraten 2 — Gender

In de tweede post uit de serie Electoraten worden de attitudes met betrekking tot gender en rolverdelingen onderzoek. Voor de data, de steekproefomvang en andere technische informatie verwijs ik naar de eerste in de serie, namelijk die over vertrouwen

De vragen die voor dit onderzoek zijn gebruikt, komen uit dezelfde LISS Core Study als de vragen over vertrouwen, namelijk Politics and Values. Het betreft de vraag nummers 109–115, 143–146, 151–154. De vraagtext zoals deze in de LISS-enquête is gesteld, staat altijd in een noot naast het betreffende figuur.

Vrouw: kind en gezin

De eerste acht vragen behelsen de rol van de vrouw als moeder, opvoeder, en als gezinslid. De enquêtevragen alsmede de schalen staan naast de figuren vermeld.

Figuur 1: Een werkende moeder kan net zo’n warme en hechte relatie met haar kinderen hebben als een moeder die niet werkt. (1–5)
Figuur 2: Een kind dat nog niet naar school gaat zal er waarschijnlijk onder lijden als zijn of haar moeder werkt. (1–5)

De enquêtevragen 143–146, in figuur 3–6, hebben elk deze vorm:

Vindt u dat vrouwen onder de hieronder vermelde omstandigheden een volledige werkkring buitenshuis mogen hebben, een parttime werkkring, of helemaal geen werkkring?

De concrete setting wordt vermeld in de tekst naast de figuren.

Figuur 3: Als zij een baby heeft (een kind jonger dan 1 jaar). (1–3)
Figuur 4: Als zij een kind heeft dat nog niet naar school gaat. (1–3)
Figuur 5: Nadat het jongste kind naar de basisschool gaat. (1–3)
Figuur 6: Nadat het jongste kind naar de middelbare school gaat. (1–3)

De volgende vraag, enquêtevraag 151, betreft de rol van vrouw als opvoeder ten opzichte van de man in dezelfde rol.

Figuur 7: Een vrouw is geschikter om kleine kinderen op te voeden dan een man. (1–5)

De volgende vraag vraagt gericht naar het negatieve effect het op het gezin in het geval de vrouw een volledige baan heeft.

Figuur 8: Al met al lijdt het gezinsleven er onder als de vrouw een volledige baan heeft. (1–5)

Man, vrouw, gezin

De enquêtevragen 112–115, weergegeven in figuur 9–12, bevragen de verhouding tussen man en vrouw van verschillende rollen in het gezin.

Figuur 9: Man en vrouw moeten beiden bijdragen aan het gezinsinkomen. (1–5)
Figuur 10: De man moet het geld verdienen, de vrouw moet voor het huishouden en het gezin zorgen. (1–5)
Figuur 11: De man moet het geld verdienen, de vrouw moet voor het huishouden en het gezin zorgen. (1–5)
Figuur 12: Mannen zouden meer moeten doen aan de verzorging van de kinderen dan nu het geval is. (1–5)

Scholing en opvoeding

De enquêtevragen 152 en 153 betreffen de verhouding tussen jongens en meiden met betrekking tot scholing, en vrijheid van opvoeding.

Figuur 13: Voor een meisje is het eigenlijk toch niet zo belangrijk als voor een jongen om een goede schoolopleiding te krijgen. (1–5)
Figuur 14: Jongens kun je in het algemeen vrijer opvoeden dan meisjes. (1–5)

Vrouw als leidinggevende

De laatste vraag is enquêtevraag 154 waarin gericht wordt gevraagd naar de mate van onnatuurlijkheid van een vrouwelijke leidinggevende van mannen.

Figuur 15: Het is onnatuurlijk als vrouwen in een bedrijf leiding uitoefenen over mannen. (1–5)

Notities

Indien we de partij 50Plus ‘excuseren’ vanwege een mogelijke generatie-kloof waarin sociaal-culturele waarden en de daaraan gekoppelde genderrollen opvoorhand als anders zullen zijn dan bij andere partijen. Dan valt op dat de PVV in bijna alle items op een twee of derde plaats scoort, direct na de SGP of, in het geval van een derde positie na de SGP en de Christenunie.

Opvallende is de score van de PVV op enquêtevraag 152 in figuur 13. Het electoraat van de PVV vindt scholing voor vrouwen zelfs iets minder belangrijk dan het electoraat van de SGP dit vindt.

Dit verschil is zelfs nog groter in de scores op enquêtevraag 153 waarin, op DENK na, de het electoraat van de PVV de hoogste score heeft.

Een partij die econmisch links te noemen is, de SP, scoort op veel sociale vraagstukken over gender verrassend gelijk aan CDA of VVD. Zo scoort SP in figuur 1–4 equivalent aan het CDA, terwijl het zich in de vragen uit figuur 5–8 duidleijk onderscheidt van het CDA.

Wanneer we naar de visie op opkomensverschillen van het electoraat van PVV en met name SP kijken valt hun relatieve positie ten opzichte van partijen op, in vergelijking met diezelfde relatiev positie waar het sociaal-culturele waarden betreft.

Figuur 16: Sommige mensen vinden dat de verschillen in inkomens in ons land groter moeten worden. Anderen dat ze kleiner moeten worden. Natuurlijk zijn er ook mensen met een mening die daar tussenin ligt. Waar zou u uzelf plaatsen op een schaal van 1 t/m 5, waarbij 1 betekent dat inkomensverschillen groter moeten worden en 5 dat ze kleiner moeten worden?

Zowel PVV als SP blijken cultureel relatief ‘conservatief’ of ‘rechts’ te zijn, terwijl zij economisch links zijn te noemen.

Electoraten 2 — Gender - March 18, 2021 - Robert Voogdgeert