Electoraten 1 — Vertrouwen

In deze eerste van een korte serie over de electoraten van de verschillende partijen van de Nederlandse politiek zal ik ingaan op het aspect vertrouwen.

Hiervoor maak ik gebruik van de data van het LISS panel dat wordt beheerd door CentERdata van de Tilburg University. Ik heb gebruik gemaakt van de Liss Core Study Politics and Values, en wel de volgende jaren: Wave 10 afgenomen van december 2017 tot en met maart 2018, Wave 11 afgenomen van december 2018 tot en met maart 2019, en Wave 12 afgenomen van december 2019 tot en met maart 2020. De data vallen dus binnen de regeerperiode van het huidige kabinet.

De .sav bestanden zijn geladen in Rstudio en daar verder bewerkt tot R-objecten. De analyses zijn met STAN gedaan via rstanarm, de STAN-interface voor R.

Het totaal van de steekproeven van Wave 10, 11, en 12 betreft 12641 items van 5601 unieke personen. Hierbij is de verdeling van de geënqueteerden over de partijen

Tabel 1: Verdeling van de steekproef over de partijen

Partij N Percentage
VVD 2455 19.40
PVV 998 7.89
CDA 1529 12.10
D66 1656 13.10
GL 1459 11.50
SP 1100 8.70
PvdA 1172 9.27
CU 606 4.79
PvdD 475 3.76
50Plus 518 4.10
SGP 220 1.74
DENK 49 0.39
FvD 404 3.20

Vanzelfsprekend is de steekproefomvang van DENK te klein om betrouwbare uitspraken te doen, maar ik zal deze partij desniettemin opnemen in het onderzoek omwille van de volledigheid van het onderzoek. Maar zoals te zien zal zijn in de relatief grote omvang van het zogenaamde highest density interval van 89% rondom de mediane scores, is de mate van onzekerheid rondom deze mediaan zeer groot.

De verdeling van de verschillende leeftijden over de afzonderlijke partijen is weergegeven met dichtheidsfuncties in Figuur 1. Hierbij valt mij op dat de dichtheidscurves van de SP en 50Plus in redelijke mate op elkaar gelijken en een relatief oud electoraat laten zien, een aspect dat doorgaans vooral bij het CDA wordt geconstateerd en dat vanzelfsprekend bij 50Plus ook te verwachte is, maar dat in deze steekproef dus evenzeer bij de twee eerstgenoemde partijen aangetroffen wordt.

Figuur 1: Dichtheidsfunctie van leeftijd per partij.

De vragen uit de set politics and values die ik voor het onderzoek naar vertrouwen heb gebruikt zijn vragen met de nummers: 013, 015, 016, 018, 019, 021, 022, 023, 025, 027. De schaal van deze vraag is een score met waarden van 1–10 en de vraagvorm is, voor alle vragen, deze:

Kunt u op een schaal van 0 tot 10 aangeven hoeveel vertrouwen u persoonlijk hebt in elk van de volgende organisaties?

Alle onderstaande figuren geven de mediane score met een cirkel weer en een zogenaamde highest posterior density interval, HPDI van 89% met een horizontale lijn.

Democratische instituties

De eerste drie elementen betreffen de regering, politieke partijen in zijn algemeenheid, en het Europees parlement. De relatief hoge score van het VVD-electoraat zal, gezien de huidige regering, niet verbazen. Opvallend laag scroren de electoraten van zowel FvD als PVV. Bij het laatste element, Europees parlement, scoort FvD lager dan PVV en verschil dat verder nergens voorkomt.

Figuur 2: Vertrouwen in de regering.
Figuur 3: Vertrouwen in politieke partijen.
Figuur 4: Vertrouwen in het Europees parlement.

Democratie en rechtsstelsel

De volgende twee elementen zijn ietwat abstractere elementen, namelijk democratie, en rechtsstelsel. Ook hier is het electoraat van de PVV een negatieve uitschieter hoewel ook FvD hier laag scoort.

Figuur 5: Vertrouwen in de democratie.
Figuur 6: Vertrouwen in het rechtsstelsel.

Politie en leger

De volgende twee elementen betreffen de handhavende, beschermende elementen politie en leger. Opvallend aan deze twee elementen zijn de scores van het electoraat van zowel PVV als FvD. Waar de PVV bij politie nog een vijfenhalf scoort, geeft het electoraat van deze partij voor het leger een kleine zes, en cijfer dat, voor dit electoraat alleen nog in onderwijs en wetenschap wordt overtroffen daar het verder overal onvoldoendes geeft.

Figuur 6: Vertrouwen in de politie.
Figuur 7: Vertrouwen in het leger.

Media

Het vertrouwen in de media wordt weergegeven in figuur 8. Opvallend hierbij is dat er geen voldoendes zijn met als mogelijke uitzondering het electoraat van de PvdA die een magere 6- geeft.

Figuur 8: Vertrouwen in de media.

Onderwijs en wetenschap

De volgende twee elementen betreffen onderwijs en wetenschap. Opvallende is het feit dat dit de enige onderdelen zijn waarbij geen enkel electoraat een onvoldoende geeft, althans niet qua mediaan. Zelfs het electoraat van de PVV, de zeer lage scores geven voor veel onderdelen, geven een voldoende voor onderwijs en wetenschap. Koplopers zijn, niet geheel onverwacht, de electoraten van D66 en GroenLinks.

Figuur 9: Vertrouwen in onderwijs.
Figuur 10: Vertrouwen in wetenschap.

Vertrouwensindex

Wanneer we de gemiddelde scores van het vertrouwen in de afzonderlijke instituties nemen kunnen we spreken van wat ik hier, gemakshalve, een vertrouwensindex noemen. De scores op deze parameter zijn hieronder weergeven

Figuur 11: Vertrouwensindex.

Wanneer we de associate tussen de score op de vertouwensindex en partijkeuze in termen van R-kwadraat verduidelijken, blijkt er een sterke relatie te zijn tussen deze beide variabelen. De mediane posterior r-squared bedraagt 0.201 en de mediaan absolute deviatie is met een waarde van 0.006 zeer klein te noemen.

Figuur 12: De associatie van partijkeuze en vertrouwen

We moeten dus concluderen dat er een sterke band is tussen vertrouwen in maatschappelijke instituties en de overheid enerzijds en de keuze voor een specifieke politieke partij anderzijds.

Dit wordt ook duidelijk wanneer we de vier partijen op de uitersten van de vertrouwensindex, PVV en FvD enerzijds en VVD en D66 anderzijds, visualiseren.

Figuur 13: De vier partijen op de flanken van de vertrouwensindex. Horizontale lijnen zijn de volgende paramters van de hele steekproef ongeacht partij: rode lijn is mediane score, blauwe lijnen zijn median plus en min 1 mediaan absolute deviate.
Electoraten 1 — Vertrouwen - March 16, 2021 - Robert Voogdgeert