Geluk willen

In een tijd waarin geluk een veelgezocht goed is, en waarin op de behoeftigheid die er met betrekking tot dit goedje overvloedig lijkt te zijn – en behoeftigheid heerst slechts daar waar een tekort wordt ervaren – door allerhande tv-programma’s, bladen en websites handig wordt ingespeeld, kan een passage uit het werk van Immanuel Kant ons wellicht tot leidraad zijn die ons op een ander pad brengt dan dat van het zoeken naar je geluk, het vinden van je ware voldoening, het bereiken van je waren bestemming, en aanverwante dwaalwegen.

In de Grundlegung zur Metaphysik der Sitten uit 1785 beschrijft Kant een drietal imperatieven, waaronder natuurlijk de bekende categorische imperatief, maar deze is hier echter niet onderwerp van overpeinzing. Zo wél de tweede van de twee door Kant geformuleerde hypothetische imperatieven, die hij ook definieert als een assertorisch-praktisch principe. Het betreft de hypothetische imperatief die zich geluk als doel stelt en die Kant op pagina 416 beschrijft met de frase Rathschläge der Klugheit, wat we zouden kunnen vertalen met raadgevingen van de prudentie. Twee alinea’s eerder heeft Kant reeds beweert dat dit doel als bij alle mensen aanwezig verondersteld kan worden. Met andere woorden, deze wil tot geluk is, volgens wat Kant een natuurnoodzakelijkheid noemt, intrinsiek aanwezig in alle redelijke wezens en derhalve ook, en bij uitstek, in de mens.

Waar het evenwel bij de eerste van de twee hypothetische imperatieven, namelijk het problematisch-praktische principe ofwel de Regeln der Geschicklichkeit, regels der kundigheid, relatief eenvoudig is om het object van een door deze hypothetische imperatief gedreven wil te omschrijven, is dit bij die van de raadgevingen van de prudentie een stuk minder eenvoudig en daar openbaart zich een, door Kant weergaloos doordacht, probleem rond de idee geluk. Ik geef de betreffende passage van pagina 417–418 hier weer:

Die Imperativen der Klugheit würden, wenn es nur so leicht wäre, einen bestimmten Begriff von Glückseligkeit zu geben, mit denen der Geschicklichkeit ganz und gar übereinkommen und eben sowohl analytisch sein. Denn es würde eben sowohl hier als dort heißen: wer den Zweck will, will auch (der Vernunft gemäß nothwendig) die einzigen Mittel, die dazu in seiner Gewalt sind. Allein es ist ein Unglück, daß der Begriff der Glückseligkeit in so unbestimmter Begriff ist, daß, obgleich jeder Mensch zu dieser zu gelangen wünscht, er doch niemals bestimmt und mit sich selbst einstimmig sagen kann, was er eigentlich wünsche und wolle.

Wat is dus, volgens Kant, het probleem? Dit is gelegen in het object van het willen zelf, namelijk het geluk. Dit begrip – wellicht moeten we het niet eens een begrip noemen – is dusdanig onbepaald, die ieder die zegt het geluk na te streven, niet eens, zeker niet consistent, kan zeggen wát hij dan nu eigenlijk wil.

Wat blijkt, dit onvermogen tot het bepalen van wát ik nu feitelijk nastrevenswaardig vind wanneer ik geluk tot object van mijn willen heb gemaakt, is gegeven in het feit dat alle elementen die tot dat begrip geluk behoren, of potentieel behoren, empirisch van aard zijn. Dit wil zeggen dat ze per definitie door de ervaring gegeven moeten worden, terwijk geluk nu juist een geheel, een totaliteit, een maximum aan een bepaald welbevinden vereist wil het geluk zijn en als zodanig ook ervaren kunnen worden.

Als mens ben ik dus eenvoudigweg niet bij machte om, volgens specifieke beginselen, met zekerheid te bepalen wat mij waarlijk gelukkig zou maken. Dit vereist immers empirie, namelijk ervaring waardoor mijn beginselen altijd de ervaring zou volgen waar zij er feitelijk aan vooraf moeten gaan, wil ik de staat van geluk met zekerheid kunnen bereiken. Eenvoudiger gezegd: ik wéét a priori helemaal niet wát mij gelukkig zal maken. Geluk is, zo stelt Kant dan ook in het volgende citaat, een ideaal van de inbeeldingskracht.

mithin kein Imperativ in Ansehung derselben möglich sei, der im strengen Verstande geböte, das zu thun, was glücklich macht, weil Glückseligkeit nicht ein Ideal der Vernunft, sondern der Einbildungskraft ist, was bloß auf empirischen Gründen beruht, von denen man vergeblich erwartet, daß sie eine Handlung bestimmen sollten, dadurch die Totalität einer in der That unendlichen Reihe von Folgen erreicht würde.

Is dit een sombere visie op geluk? Volgens mij eerder het tegendeel. Het verlost ons van de zelfopgelegde dwang ernaar te zoeken om het te bereiken, te “hebben” en het maakt geluk ook minder gewichtig. Voortvloeiend hieruit wordt de staat van eternal bliss waaraan iedereen in dit Instagram-tijdperk, als we de sociale – ja dit bijvoegelijk naamwoord in deze woordgroep is, intussen, een interne contradictie – media mogen geloven, bepaald geen tekort heeft ook iets waar we ons met een vergoeilijkende, misschien ietwat meewarige glimlach over kunnen verwonderen.

Geluk… ach wie weet wat het is, waar het is, en hoe ik het kan bereiken? Eerlijk is misschien dit: soms strompelen we er lekkerlijk overheen, soms valt het ons toe, soms is het er zonder dat we het zelfs maar merken, soms is het er niet. Het is niets dan een idee van de inbeeldingskracht. Dus, zoekt en gij zult niet vinden.

Geluk, het is het speels onverwacht op een lentebries voorbij glijdend zeepbelletje even schoon als kwetsbaar. Grijp het en het is niet meer.

Geluk willen - February 27, 2021 - Robert Voogdgeert