Onderweg naar de taal om nooit aan te komen

Wat als…

Wat als de taal niet mijn instrument is? Wat als de taal niet alleen niet mijn instrument is, maar helemaal geen instrument is?

Taalverwering is geen genitivus objectivus maar een genitivus subjectivus. Ik verwerf de taal niet, de taal verwerft mij. Wanneer ik mij de taal lijk te verwerven, is het feitelijk mijn genetisch bepaalde taligheid die geactiveerd wordt. De taal was er al. Niet alleen buiten mij in gesproken en geschreven vorm, maar ook in mij in de vorm een replicatieve genen.

Ik krijg de taal nooit voor me. De taal is zwijgend, onmenselijk. Ze bekommert zich alleen om zichzelf, dat wil zeggen, om haar successen, om haar Darwinistische fitness.

Ik ben het vehikel van de taal, die zelf al een replicatief iets is. Vragen naar doel of betekenis, is hier al ingehaald, is nooit zinnig, zinvol geweest. – ook niet zinledig. Er is geen zin binnen deze vermenigvuldigingsnatuur. Die laatste zin kan dan ook niet… Er is

Het is niet (langer) zinvol te stellen dat een eerste oorzaak is, een god, een God, die het aan de mens overlaat alles een naam te geven.

Gen. 2:19 ‏וַיִּצֶר֩ יְהוָ֨ה אֱלֹהִ֜ים מִן־הָֽאֲדָמָ֗ה כָּל־חַיַּ֤ת הַשָּׂדֶה֙ וְאֵת֙ כָּל־ע֣וֹף הַשָּׁמַ֔יִם וַיָּבֵא֙ אֶל־הָ֣אָדָ֔ם לִרְא֖וֹת מַה־יִּקְרָא־ל֑וֹ וְכֹל֩ אֲשֶׁ֨ר יִקְרָא־ל֧וֹ הָֽאָדָ֛ם נֶ֥פֶשׁ חַיָּ֖ה ה֥וּא שְׁמֽוֹ׃

De Heer had uit de aarde elk dier van het veld en elke vogel in de lucht gevormd, en hij bracht deze tot de mens, om te zien welke naam hij hen zou geven. En elke naam die de mens een levend wezen noemde, dat was hun naam.

De dingen waren er al en God bracht ze tot de mens, opdat hij alles een naam zou geven. Mogelijk was dit een betekenisvolle horizon voor de mens in het oude Midden-Oosten. Voor deze mens was er een betekenishorizon waarin God en mens onderscheiden waren en waarin God sprak waarop het was, terwijl de mens, de taal, de rede, als instrument hebbend namen mocht geven. In het cybernetisch tijdperk licht dit niet langer op.

De taal doet komt ons voor als instrument en wel als instrument ter organisatie van onze omgeving. Feitelijk maakt de taal, met ons als vehikel een optimalere inrichting mogelijk. Taal is opgenomen in de economie van de survival of the fittest.

Oudemans (2007, 182) stelt, refererend aan Heidegger, het volgende:Oudemans, Theodorus Christiaan Wouter. Echte Filosofie. Amsterdam: Bert Bakker, 2007.

Heidegger heeft gezegd dat niet de mens spreekt, maar de taal, en de mens beantwoordt daaraan. Dat geldt voor ieder organisme: zij beantwoorden aan wat er van hen wordt gevraagd, en ontlenen de betekenis daarvan niet aan zichzelf. Ook met betrekking tot de mens moet je zeggen: niet hij spreekt, want hij is de spreekbuis van zijn genoom.
De taal is daarvan een syntaxis.
Op zichzelf is die, zoals iedere syntaxis, zonder betekenis. maar zij staat niet op zichzelf. Zij bepaalt een al miljarden jaren groeiende semantische verhouding tussen levend wezen (de vleesrobot) en omgeving.

Is taal dan wellicht voor mensen de meest optimale replicatie-vorm? Nee, dat kan dus niet gezegd worden. Hooguit omgekeerd: de mens is voor de taal een van de meest optimale vehikels.

Ik kan hooguit beantwoorden, als replicant, aan wat de taal van mij vraagt. De taal actief willen bestrijden, is zelf economie, is strijd, behoeft zelf de taal.

Ik moet meebewegen op de golfslag van deze replicatie-structuur taal. Daarbuiten staan kan niet. Er is geen buiten daar het onderscheid binnen en buiten zelf al technisch is.

Wat mij rest? De mogelijkheid, soms, heel soms, de stomheid, de nietigheid te ervaren vanuit de golfslag, vanuit de millennia durende deining van eb en vloed waarmee de taal beweegt. Deze betekenisloosheid, de grondeloosheid is niet niets, zij kan een horizon zijn.

Laat zich dit forceren, plannen, of zelfs maar zoeken? Dit alles is pragmatisch, doelgericht, economisch en dus zelf, net als de taal, een strijd om fitness.

Indien taal inderdaad alleen verwoesting zal zaaien, hoe kan ik dan geweldloos spreken, zonder mij te hoeven verlaten op dat waarvoor ik vehikel ben; zonder mij ondenkend geheel over te geven aan het domein van deze biologische geweldenaar, het zeer succesvolle gen FOXP2 dat een van de belangrijkste genetische voorwaarden vormt voor taal en spraak en dat in elk geval met de opkomst van de moderne mens, zo’n 45000 jaar geleden, alomtegenwoordig is in mijn soort. Moet ik mij wenden tot een andere taal? Beeldtaal? Maar beeldtaal is ook talig, is ook taal, evenals elke andere kunstzinnige expressie, voorzover kunst al niet is opgeslokt als museale beeldentaal of concertant vermaak in het kunstbedrijf van de moderne westerse samenlevingen.

Ik blijf als vehikel in de voor van mijn genoom, (letterlijk) buitensporig spreken gaat niet. De taal overwinnen bestaat niet, daar dit altijd een technische, en dus talige overwinning zal zijn. Zwijgen is een nutteloze geste, het zal de taal, in haar succesvolle replicatie, worst wezen of ik zwijg of niet. De taal problematiseren, zoals ook de taalwetenschap doet, is de taal met de taal door en door bevestigen en haar succes bekrachtigen. Als er iets is dat de taal als succesvolle replicatie versterkt, dan de taalwetenschap, een term die naar haar aard een dubbelzegging is.

Ik kan alert gelaten zijn… misschien… en van daaruit kan ik, misschien, soms ervaren wat mij noopt te spreken zoals ik spreek… om daarin te ervaren waarin ik, sprekend, beantwoord.

Onderweg naar de taal om nooit aan te komen - April 22, 2019 - Robert Voogdgeert