Liefde, lust, en leer in Hooglied

Hooglied, zoals het klassiek Hebreeuwse boekje שׁיר השׁירים in het Nederlands wordt betiteld, is volgens velen een boek dat handelt over de liefde. De aard van de liefde die erin bezongen wordt, werd en wordt zwaar bevochten en leidt tot weinig liefdevolle exegetische discoursen. Dit is te betreuren daar het onderscheid tussen liefde als genegenheid, caritas enerzijds en liefde als lust, amor anderzijds de onze is maar mogelijk niet die van de wereld van de auteurs: het Oude Middenoosten in de eerste helf van het eerste millennium v. Chr.Ik ga in dit artikel niet in op de, soms felle, discussies met betrekking tot de datering van de Hebreeuwse tekst van שׁיר השׁירים We maken in dit strijdperk de semantiek van woorden en de betekenis van de tekst, en vooral de religieuze rol die deze is gaan spelen in de westerse cultuur, tot te bevechten exegetische of religieuze oorlogsobjecten, niet ziende dat we de tekst slachtofferen omwille van onze belemmering ook de het onderscheid tussen caritas en amor anders te zien dan we doorgaans gewend zijn te doen, om zo ook deze amor een gloedvolle plaats te geven binnen onze culturele, levensbeschouwelijke, religieuze, of spirituele domeinen.

Volgens mij zijn er in Hooglied vele passages te vinden die werkelijke druipen van de erotiek, waarbij de kracht van de poëzie van dit enigmatische boekje erin gelegen is dat er eigenlijk niets benoemd wordt. De tekst is zeer suggestief maar laat de lezer alle ruimte. Hooglied is misschien zo bijzonder omdat het niet zozeer het leven waarderend ordent en daarmee in onderdelen opbreekt en afbakent zoals tektsen, zeker religieuze, ook vermogen, maar veeleer een wereld opent, een domein op laat lichten waardoor de lezer wordt uitgenodigd zich te laten kleuren, mee te pulseren op haar dynamieken.

De tekst lijkt op plaatsen te spreken door te verzwijgen en daarin doet de poëzie van Hooglied me bij vlagen denken aan Stéphane Mallarmé (1842–1898). In diens gedicht Hérodiade komen twee personen aan het woord, Hérodias en haar vroegere kindermeisje, nouricce.Het gedicht is geschreven in 1865 en gepubliceerd in november 1871 in Le Parnasse Contemporain. Mallarmé geeft het gedicht de ondertitel Scène. Ter introductie op de analyses van een specifieke vers uit Hooglied die hieronder volgt, geef ik een kort passage uit dit bijzondere gedicht.

J’aime l’horreur d’être vierge et je veux
Vivre parmi l’effroi que me font mes cheveux
Pour, le soir, retirée en ma couche, reptile
Inviolé, sentir en la chair inutile
Le froid scintillement de ta pâle clarté

Ik heb de horror van het maagd zijn lief en ik wil
Leven met de angst die mijn haardos me geeft
Zodat, in de avond, wanneer ik me terugtrek op mijn bed,
ongeschonden reptiel, ik in het nutteloze vlees
de ijzig koude fonkeling van jouw fletse gloed zou voelen.

Nergens wordt door de beschrijving van de absentie van enige lijflijkheid, juist het intens diep verlangde genieten van dit vlees zo gloedvol beschreven.

In dit artikel zal ik een interpretatie geven van Hooglied 2:3–4 gevolgd door een vertaling ervan. Ik begin met een vertaling van Hooglied 2:3, zal dan een korte maar noodzakelijke uitweiding naar Hooglied 3:10 doen, om dan vervolgens Hooglied 2:4 te vertalen, waarna ik afsluit met een vertaling van Hooglied 2:3–4.

Figuur 1 ⋙ Hooglied 2:3–4 zoals in de Aleppo codex.

Hooglied 2:3

De tekst van vers 3 zoals in BHQ is als volgt:

Hgl. 2:3 כְּתַפּ֙וּ֯חַ֙ בַּעֲצֵ֣י הַיַּ֔עַר כֵּ֥ן דּוֹדִ֖י בֵּ֣ין הַבָּנִ֑ים בְּצִלּוֹ֙ חִמַּ֣דְ֯תִּי וְיָשַׁ֔בְתִּי וּפִרְי֖וֹ מָת֥וֹק לְחִכִּֽי׃

De verschillende Nederlandse versies bieden de volgende vertalingen.

NBV

(3) Als een appelboom tussen de bomen van het bos,
zo is mijn lief tussen de jongens.
Ik verlang in zijn schaduw te zitten,
met mijn tong wil ik zijn zoete vruchten proeven.
(4) Hij brengt mij in het wijnhuis,
boven mij zijn vaandel van liefde.

Willibrord

(3) Als een kweeboom tussen het wilde hout,
zo is mijn lief onder de jonge mannen.
Ik smacht ernaar in zijn schaduw te zitten;
zijn vrucht is zoet voor mijn mond.
(4) Hij heeft mij binnengeleid in het wijnhuis
waar het schild van zijn liefde voor mij hing.

BGT

(3) Zo mooi als een appelboom tussen de andere bomen,
zo is mijn liefste tussen andere jongens.
Ik wil zo graag in zijn schaduw zitten.
Ik wil met mijn tong zijn zoete vruchten proeven.
(4) Mijn vriend maakte me dronken van liefde,
zijn liefde is overal om me heen.

De eerste helft van het derde vers levert relatief weinig problemen op, en daarvoor bied ik de volgende werkvertaling.

Als een appelboom tussen de bomen van het woud, zo is mijn lief tussen de jongens.

De tweede helft van dat vers gebruikt het werkwoord חמד verlangen, maar in de zogenaamde verdubbelingsstam die veelal een intensivum behelst. De betekenis is dan zoveel als intens smachten.

Het probleem in deze helft van het vers zijn de verhoudingen tussen de twee werkwoorden enerzijds, en de aan deze verba voorafgaande voorzetselconstituent בצלו, in zijn schaduw. De vraag is of deze voorzetselconstituent als complement van het eerste werkwoord, חמד smachten, functioneert. Dit kan indien we dat eerste werkwoord als een zelfstandig hoofdwerkwoord interpreteren. De vertaling zou dan zijn: ik smachtte intens naar zijn schaduw. Het is evenwel ook mogelijk de syntactische verhouding tussen de twee werkwoorden anders te interpreteren. In plaats van de gebruikelijk onderschikking van werkwoorden, kan hypotaxis ook gerealiseerd worden door nevenschikking. In dat geval moeten beide werkwoorden van exact dezelfde vorm zijn. Hierbij krijgt het eerste werkwoord dan een bijwoordelijke functie.Ik verwijs hiervoor naar GKC §120d. Hier wordt Hooglied 2:3 expliciet genoemd. De eerste en tweede mogelijkheid resulteren voor de hier behandelde zin als respectievelijk a) en b).

(a) Ik smachtte intens naar zijn schaduw en ik ging zitten.
(b) Ik ging smachtend in zijn schaduw zitten.

Hoewel ik me goed voor kan stellen dat de vrouwelijk hoofdpersoon in deze stomend hete setting smacht naar de schaduw van haar vriend, acht ik het desniettemin waarschijnlijker dat haar intense verlangen een ander object betreft en derhalve bepleit ik hier de optie van vertaling (b).

Het laatste deel van Hooglied 2:3 biedt wederom weinig problemen. De werkvertaling hiervoor is:

En zijn fruit was zoet voor mijn mond.

Hierbij betreft het voorzetsel voor geen plaatsbepaling, maar duidt het veeleer een doel, strekking of bestemming aan.Zie Van Dale s.v., maar bijvoorbeeld ook de uitdrukking food for thought.

Dit syntagma heeft nog één andere vindplaats in het Oude Testament, namelijk in Spreuken.

Spr. 16:24 ‏צוּף־דְּ֭בַשׁ אִמְרֵי־נֹ֑עַם מָת֥וֹק לַ֝נֶּפֶשׁ וּמַרְפֵּ֥א לָעָֽצֶם׃

Een vriendelijk woord is een korf vol honing
zoet voor de ziel en gezond voor het lichaam.

De relatief letterlijk werkvertaling van Hooglied 2:3 is dan, na bovenstaande overwegingen de volgende:

Als een appelboom tussen de bomen van het woud,
zo is mijn lief tussen de jongens.
Ik ging smachtend in zijn schaduw zitten
en zijn vruchten waren zoet voor mijn mond.

Een meer poëtische, maar wel dynamisch equivalente vertaling zou volgende kunnen zijn:

Als een appelboom tussen de bomen van het woud,
zo is mijn lief tussen de jongens.
In zijn schaduw ging ik smachtend op mijn knieën
en zijn fruit was zoet voor mijn mond.

Hiermee is de aanloop vanuit vers 3 naar het vers waar dit artikel om draait, Hooglied 2:4, gegeven en verduidelijkt en daarmee ook het kader van waaruit vers 4 gelezen dient te worden. Alvorens ik vers 4 kan interpreteren in vertalen is echter een uitstapje nodig naar Hooglied 3:10.

Hooglied 3:10

De tekst van Hooglied 3:10 zoals in BHQ is als volgt.

Hgl. 3:10 עַמּוּ֯דָיו֙ עָ֣שָׂה כֶ֔סֶף רְפִי֯דָת֣וֹ זָהָ֔ב מֶרְכָּב֖וֹ אַרְגָּמָ֑ן תּוֹכוֹ֙ רָצ֣֯וּף אַהֲבָ֔ה מִבְּנ֖וֹת יְרוּשָׁלִָֽם׃

In dit vers wordt beschreven waaruit de in het vorige vers genoemde אפריון is vervaardigd en waarmee deze is versierd.Het betreft een hapax, maar de betekenis van אפריון is waarschijnlijk draagstoel, zoals ook het Griekse φορεῖον, waarvan het mogelijk een leenwoord is, aangeeft.

Het deel tot aan de אתנח biedt geen lexicale en semantische problemen. De werkvertaling hiervoor is:

Zijn posten maakte hij van zilver, zijn achterkant van goud, zijn zitting van purper.

De volgende nominale zin roept echter een semantisch, lexicaal probleem op. Het laatste woord in deze zin, תוכו רצוף אהבה, is het ogenschijnlijk bekende אהבה liefde. Een zelfstandig naamwoord dat tienmaal is geattesteerd in de tekst van Hooglied. Wanneer we echter deze betekenis van dit lexeem gebruiken, levert dit een bijzonder semantisch probleem op. De zin zou dan vertaald moeten worden met: zijn midden was bekleed met liefde. Waar in het hedendaags Nederlands de frase iets met liefde doen een heel gangbare is, is deze, bij mijn weten, niet beschikbaar voor het klassiek Hebreeuws. Bovendien sluit het niet aan bij de voorgaande drie nominale zinnen waarin het laatste woord telkens de stof aangeeft waaruit of waarmee iets is vervaardigd. Dit leidt tot de verwachting dat ook in deze nominale zin het laatste woord, אהבה, de stof aanduidt, waarmee het betreffende deel van de draagkoets, hier zijn binnenkant, תוכו, is vervaardigd.

Naast de betekenis liefde, is er echter nog een andere mogelijke betekenis voor de stam אהבה, namelijk het zelfstandig naamwoord leer. HALOT neemt Hooglied 3:10 dan ook op onder II אהבה en vergelijkt deze stam met het Arabische ʾihāb, dat ook leer, betekent.Waarschijnlijk betreft het onbewerkt, ongelooid leer. Een betekenis die volgens HALOT ook in Hosea is geattesteerd.

Hos. 11:4 בְּחַבְלֵ֨י אָדָ֤ם אֶמְשְׁכֵם֙ בַּעֲבֹת֣וֹת אַהֲבָ֔ה

Met touwen van leer trok ik ze mee
Met banden van ongelooid leer.

Met het lexeem II אהבה is ons een plausibele oplossing voor het probleem in Hooglied 3:10 geboden. De nominale zin תוכו רצוף אהבה zou dan vertaald worden als en zijn binnenkant was bekleed met leer.

Ik stel derhalve de volgende werkvertaling van Hooglied 3:10 voor:

Zijn posten maakte hij van zilver, zijn achterkant van goud, zijn zitting van purper
Zijn binnenkant was met leer bekleed door de dochters van Jeruzalem.

Hooglied 2:4

Na de korte uitwijding over de lemmata אהבה en II אהבה, keer ik terug naar het beoogde vers, Hooglied 2:4. De tekst, zoals in BHQ, is als volgt:

Hgl. 2:4 הֱבִי֯אַ֙נִי֙ אֶל־בֵּ֣ית הַ֯יָּ֔יִן וְדִגְל֥וֹ עָלַ֖י אַהֲבָֽה׃

Er doet zich in dit vers een tweetal problemen voor van lexicale aard. Het eerste betreft de woordgroep בית היין; het tweede betreft het zelfstandig naamwoord אהבה. Beide zal ik achtereenvolgens behandelen in onderstaande paragrafen.

Een wijnhuis?

De woordgroep בית היין betekent letterlijk het huis van de wijn.

De versiones vertalen ook alle letterlijk. De Septuaginta vertaalt met Εἰσαγάγετέ με εἰς οἶκον τοῦ οἴνου, de Vulgaat met introduxit me in cellam vinariam en de Peshitta met ܐܥܠܘܢܝ ܠܒܝܬ ܚܡܪܐ. Alle drie houden dus de frase huis van wijn aan. Dit wordt in Nederlandse vertalingen gevolgd. NBV Hij brengt mij in het wijnhuis, NBG Hij heeft mij gebracht naar het wijnhuis, Willibrord Hij heeft mij binnengeleid in het wijnhuis

Deze letterlijke vertaling is enerzijds een ogenschijnlijk goede oplossing, maar hij laat anderzijds een probleem bestaan. Wat is immers een wijnhuis? De gemiddelde lezer zal dit, waarschijnlijk zonder tanen, interpreteren als café, taverne, eventueel als drinkgelag. Maar daarvoor heeft het klassiek Hebreeuws een andere term, namelijk בית משׁתה.

De frase בית משׁתה is driemaal geattesteerd in het Oude Testament: Jeremiah 16:8, Qohelet 7:2; Ester 7:8. Deze laatste neem ook het zelfstandig naamwoord יין wijn op en breidt daarmee deze woordgroep ook uit.

Est. 7:8 וְהַמֶּ֡לֶךְ שָׁב֩ מִגִּנַּ֨ת הַבִּיתָ֜ן אֶל־בֵּ֣ית ׀ מִשְׁתֵּ֣ה הַיַּ֗יִן

Dit lijkt dus een uitgebreide combinatie van בית משׁתה en בית היין.

Het is belangrijk hierbij te constateren dat משׁתה status constructus is. Dit maakt de verhouding tussen de drie zelfstandige naamwoorden van deze woordgroep natuurlijk anders dan in בית היין.

De woordgroep משׁתה היין is driemaal geattesteerd in Ester, namelijk in 5:6, 7:2 en 7:7. Alle drie zijn onderdeel van de voorzetselbepaling במשׁתה היין tijdens het wijndrinken. Dit is van belang, daar de clause in Ester 7:8 volgt op vers 7 waarin ook sprake is van de voorzetselbepaling. In vers 7 loopt de koning woedend weg tijdens het wijn drinken en in vers 8 wordt vermeld dat hij weer terugkeert naar het huis waar wijn wordt gedronken.

Kortom de woordgroep בית משׁתה היין is geen variant op de in Hooglied geattesteerde woordgroep בית היין.

Het is opvallend is dat de Septuaginta de hele frase בית משׁתה היין weglaat.

ἐπέστρεψεν δὲ ὁ βασιλεὺς ἐκ τοῦ κήπου, Αμαν δὲ ἐπιπεπτώκει ἐπὶ τὴν κλίνην.

De Vulgaat biedt de volgende vertaling.

qui cum reversus esset de horto nemoribus consito et intrasset convivii locum repperit

Ook uit deze vertaling lijkt onzekerheid te spreken met betrekking tot de frase בית משׁתה היין. Er wordt hier gesproken over een zogenaamde convivii locum, een plaats of ruimte van vermaak.

De Peshitta vertaalt als volgt de Hebreeuwse tekst op de voet en vertaalt letterlijker dan de Septuaginta en de Vulgaat.

ܠܒܝܬ ܡܫܬܝܐ ܕܚܡ݂ܪܐ

Het lexeem voor wijn dat hier gebruikt wordt is het voor de Peshitta gebruikelijke ܚܡ݂ܪܐ, dat ook in Hooglied 2:4 gebruikt wordt.

Kortom in Esther betekent de frase משׁתה היין het schenken van wijn en derhalve moet de frase אל בית משׁתה היין vertaald worden met naar het huis waar (de) wijn werd geschonken.

Misjna

In de Misjna zijn 6 vindplaatsen van de woordgroep בית המשׁתה, en wel in Berakot 1:1, Terumot 11:10 (2 keer), Eruvin 8:1, Ketubot 7:5 en in Sota 9:11.

In Berakot is er sprake van de zonen van Gamaliël die terugkeren uit een בית המשׁתה na middernacht. In Terumot, Eruvin en Ketubot wordt het בית המשׁתה in contrast met בית האבל een huis van rouwklacht gezet. In Sota ten slotte is sprake van een meervoudsvorm ‏מִבֵּית הַמִּישְׁתָּיוֹת. Wat het meervoud hier semantisch toevoegt is mij niet geheel duidelijk. Neusner vertaalt met wedding feasts en de Engelse vertaling die op Sefaria.org wordt geboden heeft places of feasting. Deze laatste lijkt mij de meer concordante vertaling.

De frase בית היין is niet geattesteerd in de Misjna.

Qumran

In de Aramese tekst genaamd 4Q New Jerusalemb komt de woordgroep בית מזגא die veel gelijkenis vertoont met het Hebreeuwse בית היין.

4Q554a f1:7 ואחזיני משחת בתי מזגא

Het zelfstandig naamwoord מזגא is eenmaal in het Hebreeuws geattesteerd en wel als מזג in Hooglied 7:3.Mogelijk betreft het een Aramees leenwoord. Zie HALOT s.v. Het betekent zoveel als gemengde wijn, kruidenwijn.

De frase בית היין is niet geattesteerd in de Qumran Hebreeuws.

‘Wijnhuis’ of ‘domein van dronkenschap’

Zoals is gebleken komt de woordgroep בית היין alleen voor in Hooglied 2:4. De passage in Ester 7:8 bleek immers een andere constructie. Indien de woordgroep בית היין een andere betekenis dan kroeg, café, taverne, drinkgelag heeft, dan dient de vraag naar een andere plausibele betekenis gesteld te worden.

Met Stoop-van Paridon (2005, p. 102–105) pleit ik hier voor een metaforische lezen van de woordgroep בית היין, waarbij בית niet letterlijk als huis te lezen is, maar veel te interpreteren als domein, plaats van.Stoop-van Paridon, Nelleke W. T. The Song of Songs: A Philological Analysis of the Hebrew Book שׁיר השׁירים. Ancient near Eastern Studies Supplement Series. Vol. 17, Leuven: Peeters, 2005. Dat het zelfstandig naamwoord בית semantisch polyvalent is, blijkt ook uit de lexica.Zie ook HALOT בית onder –49 en –50; BDB בית onder 1c. Hierbij kan een vergelijk gemaakt worden met de Nederlandse uitdrukking je ergens thuis voelen; ook dit hoeft geen huis te zijn en zelfs geen gebouw. Je kunt je immers ook bij iemand thuis voelen.

Ook het zelfstandig naamwoord יין heeft semantisch een grote ambitus in Hooglied, waar op verschillende plaatsen wijn wordt vergeleken met eigenschappen van de hoofdfiguren.

Ik stel voor het eerste deel van Hooglied 2:4, op basis van voorgaande analyse, de volgende werkvertaling voor.

Hgl. 2:4 הֱבִיאַ֙נִי֙ אֶל־בֵּ֣ית הַיָּ֔יִן

Hij liet mij tot extase komen

Het huis van wijn is hierbij metaforisch als een roes, een extase, een vervoering geïnterpreteerd.

Een leren banier

Tot slot kan de passsage, waarvan de vertaling het doel is van dit artikel, hier ter hand genomen worden.

Hgl. 2:4 וְדִגְל֥וֹ עָלַ֖י אַהֲבָֽה׃

Het zelfstandig naamwoord דגל betekent zoveel als banier, standaard, vlaggenstok. Wat de vrouwelijke hoofdpersoon hier dus beschrijft is zijn stok boven mij. Dit moet echter in het licht gezien worden van het voorgaande vers, Hooglied 2:3. Hierin beschrijft de vrouw dat zij ging zitten voor de mannelijk figuur en ervoer hij zoet zijn vruchten voor haar mond zijn.

Deze banier of standaard of stok boven haar, terwijl zij is gaan zitten voor haar geliefde kan mijns inziens niets anders zijn dan zijn lid. Van dit lid, dat de vrouw vergelijkt met een banier stelt zij vervolgens die van onbewerkte huid is. Met andere woorden, deze standaard, deze vlaggenstok is niet van hout, maar van huid.

We hebben reeds gezien dat Hooglied 3:10 ook deze betekenis van het zelfstandig naamwoord bezigt en derhalve is het hier ook plausibel. Minstens zo plausibel als de veelal gebezigde vertaling liefde die hier mijns inziens ietwat geforceerd overkomt: en zijn banier boven mij: liefde!. Ik vraag mij af wat deze scene met liefde van doen heeft. Mogelijk is er sprake van liefde tussen de twee hoofdpersonen uit het boek maar de beschrijving die de vrouw hier van een scene met haar geliefde geeft loop vooral over van de erotiek.

Ik stel de volgende werkvertaling voor:

en zijn banier boven mij was van leer

Iets losser vertaalt:

en zijn leren vlaggenstok stond boven mij

Vertaling van Hooglied 2:3–4

Bovenstaande leidt mij, vooralsnog, tot de volgende vertaling voor Hooglied 2:3–4

Als een appelboom tussen de bomen van het woud,
zo is mijn lief tussen de jongens.
In zijn schaduw ging ik smachtend op mijn knieën
en zijn fruit was zoet voor mijn mond.
Hij liet mij tot extase komen
en zijn leren paal stond boven mij.

Liefde, lust, en leer in Hooglied - April 1, 2019 - Robert Voogdgeert