Geworpenheid

In NRC van 8 november 2018 las ik een artikel van Alma Mathijsen over een boeiend onderwerp dat vragen oproept die ons, zo denk en voel ik het althans, terugwerpen op de fundamenten van ons westers denken.

In het artikel wordt betoogd dat het vreemd is, een slechts zaak, dat ik als ongeborene geen keuze heb in het aanvaarden of het afwijzen van het leven en wel alvorens dit leven een aanvang heeft gehad.

Ik zou graag hebben meegedacht over mijn eigen bestaan. Deze vragen hadden vooraf aan me gesteld moeten worden: zou je willen leven? Heb je er zin in? Je zult veel shit meemaken en als je geluk hebt ook wat heerlijks.

Maar als ik dit moment wel had kunnen hebben? Als er wel een instantie was geweest die mij voordat ik het leven al dan niet in zou stappen, had gevraagd of ik het wel of niet zou willen, waarop had ik dan ja of nee gezegd?

Is het kenmerk van (menselijk) leven niet juist dat het niet beheersbaar, planbaar. De vraag van Mathijsen lijkt het leven op te vatten als iets dat ik kan hebben of kan afslaan. Naar ik meen is het leven echter iets waarin in geworpen wordt. Als er al sprake kan zijn van bezit, dat is het, zo denk ik, zo dat ik niet zozeer het leven heb alswel dat het leven mij heeft.

Dat deze vraag als vraag op kan lichten veronderstelt een door en door technocratische wijze van denken die het westen eigen is. Dit is niet zozeer goed of slecht

Op 25 mei 1956 en herhaald op 24 oktober van dat jaar geeft Heidegger een lezing die hij baseert op de, door hem in het Wintersemester van 1955–1956 aan de universiteit van Freiburg gehouden, collegecyclus over het beginsel van grond, die in 1957 in boekvorm wordt uitgegeven onder de titel Der Satz vom Grund. In deze lezing analyseert Heidegger een van de voor het westers denken diepste en belangrijkste principes, grondbeginselen, namelijk het beginsel van toereikende grond.

Nichts ist ohne Grund. Der Satz sagt jetzt: Jegliches gilt dann und nur dann als seiend, wenn es für das Vorstellen als ein berechenbarer Gegenstand sichergestellt ist.

Dit was rond het midden van de vorige eeuw en intussen is de greep van dat wat Heidegger Gestell noemt, alleen maar sterker geworden, dunkt me. Het artikel van Mathijsen is, voor mij, dan ook alleen interessant als teken aan de wand. Het is exemplarisch voor de Wucht waarmee Technik alle domeinen en aspecten van menselijk samenleven in zijn draaikolk mee trekt.

Zelfs het leven is intussen een berechenbarer Gegenstand een object waarop ik, al rekenend, ja of nee kan zeggen en dat ik met berekeningen al voordat het begint, voordat het is, als wenselijk of als onwenkselijk kan berekenen.

Worin besteht also das Große des Satzes vom Grund als des principium magnum, grande et nobilissimum, des großen, gewaltigen und allbekannt-erhabensten Prinzips? Antwort: Darin, daß dieses Prinzip darüber verfügt, was als Gegenstand des Vorstellens, allgemein, was als etwas Seiendes soll gelten dürfen. Im Satz vom Grund spricht dieser Anspruch auf die Verfügung darüber, was Sein eines Seienden heißt.

Het beginsel van grond wordt bepalingsgrond van het zijn van het zijnde en daarmee van elk zijnde, van elk object. Een zijnde is slechts als het aan dit principe voldoet.

Heidegger noemt het moment waarp Leibniz het principe formuleert het einde van de incubatietijd van het principe.

Dadurch daß Leibniz den kleinen, kaum eigens gedachten Satz: Nihil sine ratione, Nichts ohne Grund, in die vollständige und strenge Fassung des gewaltigen Grundsatzes brachte, wurde die Incubationszeit des Satzes vom Grund in einer Hinsicht beendet.

In de jaren waarin Heidegger deze fase van zijn denken ontwikkelde, stelde hij zelf dat dit principe en daarmee ook de allesbepalende wijze van zijnservaren, een technische, rekenende, in alle stilte op gewelddadige wijze het westers denken in zijn macht heeft.

Diese vollbringt nichts geringeres als die innerste, zugleich aber verborgenste Prägung des Zeitalters der abendländischen Geschichte, das wir die «Neuzeit» nennen. Die Herrschaft des gewaltigen Grundsatzes wird in der Geschichte der Menschheit um so gewaltiger, je durchgängiger, je selbstverständlicher und demzufolge je unauffälliger der Satz vom Grund alles Vorstellen und Verhalten bestimmt. So steht es heute.

Zo staat het er vandaag de dag mee. Dat was 1957. En nu, anno 2019? Wie steht es heute?

Heidegger deed in 1957, en niet alleen toen, een oproep tot denken. Niet tot (technisch, metafysisch) filosoferen, maar tot denken.

Darum müssen wir, die Heutigen, fragen, ob wir und wie wir den Anspruch, der aus dem großen Grundsatz alles Vorstellens spricht, hören. Spüren wir denn die Gewalt dieses Anspruches?

Heidegger antwoordde met een volmondig ja op deze vraag. Ja, de mens hoort de aanspraak die er op hem wordt gedaan. Sterker nog, hij beantwoordt zo goed en voldoet zo perfect aan de woordenloze eis die hem wordt gesteld, dat hij de macht waarin hij verkeert al niet meer ervaart.

Der neuzeitliche Mensch hört allerdings diesen Anspruch. Er hört ihn auf eine seltsam entschiedene Weise, nämlich so, daß er der Gewalt des Grundsatzes immer ausschließlicher, immer schneller hörig wird. Mehr noch: Der heutige Mensch läuft Gefahr, die Größe alles Großen nur noch am Ausmaß der Herrschaft des principium rationis zu messen. Wir wissen heute, ohne es schon recht zu verstehen, daß die moderne Technik unaufhaltsam dahin drängt, ihre Einrichtungen und Erzeugnisse in die allumfassende, größtmögliche Perfektion zu treiben. Diese Perfektion besteht in der Vollständigkeit der berechenbaren Sicherstellung der Gegenstände, des Rechnens mit ihnen und der Sicherung, der Berechenbarkeit der Rechnungsmöglichkeiten.

De waarde van alles, het zijn van de zijnden, wordt de maat genomen met niets dan het beginsel van grond.

Het artikel van Mathijsen geeft aan: zelfs het leven is tot een object, tot een ding geworden. Zelfs het leven moet voldoen aan de Sicherung, der Berechenbarkeit der Rechnungsmöglichkeiten, het verzekeren van de berekenbaarheid van de rekenmogelijkheden.

Wat niet berekenbaar is, mag niet alleen niet zijn, het kan niet zijn en is dus ook niet.

Geworpenheid - November 11, 2018 - Robert Voogdgeert