Qohelet en Zarathustra

We treffen hem op het eind van zijn leven, Qohelet, koning van Jeruzalem, in een bijna tedere zelfreflectie. Een oude man kijkt terug op zijn leven. Een leven waarin hij heeft geploeterd, gewerkt en, naar maatschappelijke waarden gemeten, zeer succesvol is geworden.

Toch ervaart hij dat dit alles nietig is, niets is dan het weiden van wind.

‏כָּל־זֹ֖ה נִסִּ֣יתִי בַֽחָכְמָ֑ה אָמַ֣רְתִּי אֶחְכָּ֔מָה וְהִ֖יא רְחוֹקָ֥ה מִמֶּֽנִּי׃
רָח֖וֹק מַה־שֶּׁהָיָ֑ה וְעָמֹ֥ק ׀ עָמֹ֖ק מִ֥י יִמְצָאֶֽנּוּ׃

Al dit probeerde ik met wijsheid. Ik zei: ‘Ik wil inzicht hebben’. Maar, dit was onbereikbaar voor mij.
Ver weg is al wat was. En diep… Zo diep… Wie kan het vinden?

Inzicht? Het is onbereikbaar. Het verleden, dat wat is in afwezigheid, als afwezigheid? Wie kan erbij?

Soms doet Qohelet me in zijn overpeinzingen denken aan Nietzsche’s Zarathustra. Het is niet de liefde voor de dingen zelf, maar de Wille zur Macht die ons drijft.

‏וְרָאִ֨יתִֽי אֲנִ֜י אֶת־כָּל־עָמָ֗ל וְאֵת֙ כָּל־כִּשְׁר֣וֹן הַֽמַּעֲשֶׂ֔ה כִּ֛י הִ֥יא קִנְאַת־אִ֖ישׁ מֵרֵעֵ֑הוּ גַּם־זֶ֥ה הֶ֖בֶל וּרְע֥וּת רֽוּחַ׃

En ik zag alle gezwoeg en alle bekwaamheid. Ja, het is niets is dan afgunst van de een op de ander. Ook dit is nietigheid, weiden van wind.

In het hoofdstuk Von der Selbstüberwindung spreekt Zarathustra wetenden, wetenschappers, wijzen toe.

»Wille zur Wahrheit« heißt ihr’s, ihr Weisen, was euch treibt und brünstig macht?
Wille zur Denkbarkeit alles Seienden: also heiße ich euren Willen!
Alles Seiende wollt ihr erst denkbar machen: denn ihr zweifelt mit gutem Mißtrauen, ob es schon denkbar ist.
Aber es soll sich euch fügen und biegen! So will’s euer Wille. Glatt soll es werden und dem Geiste untertan, als sein Speigel und Widerbild.
Das ist euer ganzer Wille, ihr Weisesten, als ein Wille zur Macht; und auch wenn ihr vom Guten und Bösen redet und von den Wertschätzungen.
Schaffen wollt ihr noch die Welt, vor der ihr knien könnt: so ist es eure letzte Hoffnung und Trunkenheit.

Ik doe druk over waarheid, over kennis? Waar ik werkelijk door gedreven word, is niet inhoudelijk bepaald, het is Wille zur Macht.

Und auch du, Erkennender, bist nur ein Pfad und Fußtapfen meines Willens: wahrlich, mein Wille zur Macht wandelt auch auf den Füßen deines Willens zur Wahrheit!

Deze Wille zur Macht is niet een naast het leven staand gegeven, het is de levensdrift zelf, zo vertelt ons Zarathustra in zijn metafyfische gestrengheid.

Nur, wo Leben ist, da ist auch Wille: aber nicht Wille zum Leben, sonder – so lehre ich euch – Wille zur Macht!

Qohelet is echter mild in zijn wijsheid en ziet mensenkinderen bestendigheid, eeuwigheid, vereeuwiging najagen omdat ze niet anders kunnen, omdat ze wel moeten zo lijkt het.

רָאִ֣יתִי אֶת־הָֽעִנְיָ֗ן אֲשֶׁ֨ר נָתַ֧ן אֱלֹהִ֛ים לִבְנֵ֥י הָאָדָ֖ם לַעֲנ֥וֹת בּֽוֹ׃
אֶת־הַכֹּ֥ל עָשָׂ֖ה יָפֶ֣ה בְעִתּ֑וֹ גַּ֤ם אֶת־הָעֹלָם֙ נָתַ֣ן בְּלִבָּ֔ם מִבְּלִ֞י אֲשֶׁ֧ר לֹא־יִמְצָ֣א הָאָדָ֗ם אֶת־הַֽמַּעֲשֶׂ֛ה אֲשֶׁר־עָשָׂ֥ה הָאֱלֹהִ֖ים מֵרֹ֥אשׁ וְעַד־סֽוֹף׃

Ik zag de bezigheid die God de mensenkinderen heeft gegeven, om zich mee af te tobben. Elk ding maakte hij goed voor en in de daarvoor bestemde tijd. Ook de eeuwigheid gaf hij hun in hun hart, zonder dat de mens vinden zal wat God deed van het begin tot het einde.

We verlangen naar dat wat in ons hart is geleged met ons hoofd te bestendigen: overzicht en inzicht in de tijden, in de dingen, terwijl het ons niet is gegeven dit inzicht te bereiken. We zijn wezens die naar hun aard iets willen dat zich wezenlijk onttrekt aan hun mogelijkheden. We begrijpen niets van onszelf en jagen met het hoofd de dingen van het hart na.

Ik ben een dier dat mank gaat aan zichzelf, een wezen wiens hart overloopt omdat het kennend grip wil krijgen op wat zich onttrekt aan het weten, eeuwigheid zoekt waar slechts de oneindigheid van het nu ertoe doet.

Qohelet en Zarathustra - September 4, 2018 - Robert Voogdgeert