Dostojevski’s man uit het ondergrondse

In zijn novelle Aantekeningen uit het ondergrondseIk gebruik de vertaling van Hans Leerink verschenen bij van Oorschot in 1957. Waarin overigens geaccentueerde lettergrepen soms met accent grave worden gezet i.p.v. accent aigu zoals blijkt uit het eerste citaat. uit 1864 introduceert Dostojevski zijn hoofdpersoon in een voetnoot bij de titel van het eerste deel als volgt:

Zowel de auteur van de aantekeningen als de « Aantekeningen » zelf zijn natuurlijk fictief. Niettemin, zulke mensen als de schrijver van dergelijke aantekeningen kùnnen niet alleen, maar moeten zelfs bestaan in onze samenleving, gezien de omstandigheden waaronder heel onze samenleving tot stand is gekomen.

Iedereen die Dostojevski’s aantekeningen heeft gelezen zal erkennen dat de hoofdpersoon uit deze novelle een bijzondere maar eveneens authentieke persoonlijkheid is. Ik vermoed dat deze persoon ons, mensen uit de eenentwingste eeuw, ook nog het nodige te leren heeft en hij verdient derhalve onze aandacht, ook zullen heden, maar nog dan in Dostojevski’s tijd, meer mensen de man een zielige mislukkeing vinden die bovendien nog prat gaat op al zijn achterhoede gevechten.

Wij zijn, de novelle lezend, zeker in het eerste deel zelf de aangesprokene en dus gesprekspartner van de man uit het ondergrondse. Laten we hem minstens een kort moment van onze aandacht schenken.

Is Dostojevski’s novelle een aanklacht tegen de verlichting? Tegen een maatschappij die al meer en meer op weg was naar het type samenleving dat latere sociologen, filosofen en auteurs ons als technocratieën hebben uitgelegd? Misschien.

Hoe ook, ik vind het slotbetoog dat deze kwaardaardige, maar ook breekbare en tedere man houdt van een zeer diepe eerlijkheid getuigen.

We zijn het zelfs zó ontwend, dat we soms voor het echte « levende leven » een soort afschuw voelen en daarom kunnen we het dan ook niet velen als men ons eraan herinnert. Het is immers al zo ver met ons gekomen dat we het echte « levende leven » zowat als een last voelen, bijna als een kwarwei beschouwen, en in stilte zijn we het er allen over eens dat een boekenleven beter is.

Voortgaande constateert de man dat wij intussen als zo zijn gewend aan het leven volgens dit geconstrueerde bestaan, dat we ook niet meer zonder kunnen.

En waarom scharrelen wij soms zo raar rond, waarom zijn we in de contramine, waarom stellen we eisen? We weten het zelf niet. Als onze grillige wensen vervuld werden, raakten we er immers nog slechter aan toe. Laat men het nu maar eens proberen, laat mens ons nu bijvoorbeeld maar eens iets meer zelfstandigheid verlenen, onze handen losmaken van wat of wie dan ook, ons arbeidsterrein vergroten, de voogdijschap verzwakken en wij… ja, ik verzeker het u toch: wij zouden immers meteen opnieuw om voodijschap vragen.

Zoals de man zelf maar al te goed weet, zullen wij hem verwijten niet voor of over ons te spreken, maar het vooral bij zichzelf te houden. Maar toch heeft hij een punt wanneer hij hierover nog een laatste opmerking maakt.

Maar wat mij persoonlijk betreft, ik heb in mijn leven niet anders gedaan dan iets ad absurdum te leiden, waarvan u nog nieteens halverwege de consequenties hebt durven trekken, ja, en die lafheid van u hebt u nog wel beschouwd als verstandigheid en hebt u daarmee wat op de mouw gespeld, het is niet anders dan een doekje voor het bloeden. Zodat ik misschien toch nog meer blijk te leven dan u.

De laatste wenk van deze in de meest letterlijke zin van het woord buitensporige man, geeft mij bijzonder veel te denken, neemt althans mij mee op weg.

Maar ziet u eens wat nauwlettender toe! Wij weten immers niet eens, waar het levende leven nu te vinden is en wàt het eigenlijk is, hoe het heet! Laat ons eens alleen, zonder boekjes, en ogenblikkelijk zullen wij de kluts kwijtraken, op een dwaalspoor komen – we zullen niet weten bij wie we ons moeten aansluiten, waar we ons aan moeten houden; wàt we moeten beminnen en wàt we moeten haten, wàt we moeten hoogachten en wàt we moeten minachtenj! Wij beschouwen het zelfs als een last, mesnen te zijn – mensen met een echt, eigen lichaam en bloed; wij schamen ons daarvoor, beschouwen het als een schande en streven er naar, een soort denkbeeldige gemeenschapsmensen te zijn. Wij zijn doodgeboren kindjes met almme handjes, wij spuirten immers al seder lang voort uit vaders die zelf ook niet levend zijn en daar krijgen we hoe langer hoe meer schik in. We beginnen de smaak ervan beet te krijgen. Weldra zullen wij ons verbeelden dat we op een of andere manier uit een denkbeeld geboren zijn.

Ik denk, al moet ik wellicht ook alleen voor mijzelf spreken, dat ieder mens levend in onze moderne technocratie, zo’n anderhalve eeuw na de man uit het ondergrondse, ergens deze man in zich herkent. Misschien wel meer dan hem of haar lief is… Maar toch, zijn spreken gaat ons blijkbaar aan.

Dostojevski's man uit het ondergrondse - September 4, 2018 - Robert Voogdgeert